Ekklesia Leiden

zaterdag 11 april – Paaswake

in tijden van corona

 

Paaswake

Voorganger: Christiane van den Berg – Seiffert

zang, techniek, etc.: veel anderen

Als u dat wilt dan kunt u vóór de viering alvast kaarsen klaarzetten. Een kaars voor uzelf. En als u dat wilt ook een kaars of meerdere kaarsen voor de mensen waarmee u zich verbonden weet, maar die nu niet bij u zijn.

En als u dat wilt, zet u dan ook een schaal met water klaar. Misschien wilt u zo meteen uw doop gedenken en/of met water een kruis op uw voorhoofd gaan tekenen.

Hier kunt U de viering  zien.

Hieronder vindt U de orde van dienst.

Als U een blauwe knop(Picture-in-picture) in beeld ziet, kunt U de liturgie volgen, samen met het beeld.

Introïtus

 

Hoever is de nacht

Hoever is de nacht

Hoever, hoever

wachter,

hoever is de nacht?

De morgen komt, zegt de wachter,

Maar nog is het nacht.

Welkom

 

Waarom ...

Waarom is deze nacht anders dan alle andere nachten?

Gebed

Schriftlezing

Genesis 1, 1-10

 In het begin schiep God de hemel en de aarde. De aarde was nog woest en doods, en duisternis lag over de oervloed, maar Gods geest zweefde over het water.

God zei: ‘Er moet licht komen,’ en er was licht. God zag dat het licht goed was, en hij scheidde het licht van de duisternis; het licht noemde hij dag, de duisternis noemde hij nacht. Het werd avond en het werd morgen. De eerste dag.

God zei: ‘Er moet midden in het water een gewelf komen dat de watermassa’s van elkaar scheidt.’ En zo gebeurde het. God maakte het gewelf en scheidde het water onder het gewelf van het water erboven. Hij noemde het gewelf hemel. Het werd avond en het werd morgen. De tweede dag.

God zei: ‘Het water onder de hemel moet naar één plaats stromen, zodat er droog land verschijnt.’ En zo gebeurde het. Het droge noemde hij aarde, het samengestroomde water noemde hij zee. En God zag dat het goed was.

Genesis 8, 15-22

Toen zei God tegen Noach:  ‘Ga de ark uit, samen met je vrouw, je zonen en de vrouwen van je zonen. Laat ook alle dieren die bij je zijn naar buiten gaan: vogels, vee en alles wat op de aarde rondkruipt. Ze moeten weer vruchtbaar zijn en talrijk worden en de aarde bevolken.’ Hierop ging Noach naar buiten, samen met zijn zonen, zijn vrouw en de vrouwen van zijn zonen. Ook alle dieren gingen de ark uit, soort bij soort, alle vogels, en alles wat op de aarde rondkruipt.

Noach bouwde een altaar voor de Eeuwige; daarop bracht hij brandoffers van al het reine vee en alle reine vogels. De geur van de offers behaagde de Eeuwige, en hij zei bij zichzelf: Nooit weer zal ik de aarde vervloeken vanwege de mens, want alles wat de mens uitdenkt, van zijn jeugd af aan, is nu eenmaal slecht. Nooit weer zal ik alles wat leeft doden, zoals ik nu heb gedaan. Zolang de aarde bestaat, zal er een tijd zijn om te zaaien en een tijd om te oogsten, zal er koude zijn en hitte, zomer en winter, dag en nacht – nooit komt daar een einde aan.

Genesis 9, 11-17

Deze belofte doe ik jullie: nooit weer zal alles wat leeft door het water van een vloed worden uitgeroeid, nooit weer zal er een zondvloed komen om de aarde te vernietigen. En dit,’ zei God, ‘zal voor alle komende generaties het teken zijn van het verbond tussen mij en jullie en alle levende wezens bij jullie: ik plaats mijn boog in de wolken; die zal het teken zijn van het verbond tussen mij en de aarde. Wanneer ik wolken samendrijf boven de aarde en in die wolken de boog zichtbaar wordt, zal ik denken aan mijn verbond met jullie en met al wat leeft, en nooit weer zal het water aanzwellen tot een vloed die alles en iedereen vernietigt. Als ik de boog in de wolken zie verschijnen, zal ik denken aan het eeuwigdurende verbond tussen God en al wat op aarde leeft. Dit,’ zei God tegen Noach, ‘is het teken van het verbond dat ik met alle levende wezens op aarde gesloten heb.’

Gebed

Lied

Ten dage dat Hij maakte

Ten dage dat hij maakte

Hemel en aarde

Er waren nog geen halmen van grassen op aarde

Er viel nog geen regen

Die dag dat hij maakte

De mens

 

Die dag boetseerde Hi

Niet uit het licht van de hemel

Boetseerde Hij uit het stof van de aarde

Blies adem van leven in mijn neusgaten

Werd ik een levende ziel

Een mensje

Wie zijn wij dat Gij ons gedenkt

 

Hij plantte vlak bij zonsopgang een tuin,

Hij nam de mens in zijn hand

Hij plaatste een mens in de tuin.

 

Hij sprak tot mij :

Het is niet goed als jij alleen blijft mensenkind

Zou ik niet iemand die jou zoekt en vindt voor je maken

die mij aanziet?

die jou roept en antwoord geeft

die jou aanziet.

 

Tamme dieren wilde beesten hoge vogels

die Hij maakte

alle namen die ik riep.

die zij dragen als een lichtglans.

Maar geen die mij riep.

 

Breng mij in een diepe slaap.

Neem de sterkste van mijn ribben.

Maak daaruit één

die mij roept en zoekt en vindt en antwoord geeft,

been van mijn gebeente, iemand die mij aanziet.

 

Dat wij leven.

Onderdrukking en Bevrijding

Exodus 1, 8-14

 Er kwam in Egypte een nieuwe koning aan de macht, die Jozef niet gekend had. Hij zei tegen zijn volk: ‘De Israëlieten zijn te sterk voor ons en te talrijk. Laten we verstandig handelen en voorkomen dat dit volk nog groter wordt. Want stel dat er oorlog uitbreekt en zij zich aansluiten bij onze vijanden, de strijd tegen ons aanbinden en uit het land wegtrekken!’Er werden slavendrijvers aangesteld die de Israëlieten tot zware arbeid dwongen. Ze moesten voor de farao de voorraadsteden Pitom en Raämses bouwen. Maar hoe meer de Israëlieten onderdrukt werden, des te talrijker werden ze. Ze breidden zich zo sterk uit dat de Egyptenaren een afkeer van hen kregen. Daarom beulden ze hen af en maakten ze hun het leven ondraaglijk met zwaar werk: ze moesten stenen maken van klei en op het land werken, en ze werden voortdurend mishandeld.

Exodus 3, 1-10

Mozes was gewoon de schapen en geiten van zijn schoonvader Jetro, de Midjanitische priester, te weiden. Eens dreef hij de kudde tot voorbij het steppeland, en zo kwam hij bij de Horeb, de berg van God. Daar verscheen de engel van de EEUWIGE aan hem in een vuur dat uit een doornstruik opvlamde. Mozes zag dat de struik in brand stond en toch niet door het vuur werd verteerd. Hoe kan het dat die struik niet verbrandt? dacht hij. Ik ga dat wonderlijke verschijnsel eens van dichtbij bekijken. Maar toen de EEUWIGE zag dat Mozes dat ging doen, riep hij hem vanuit de struik: ‘Mozes! Mozes!’ ‘Ik luister,’ antwoordde Mozes. ‘Kom niet dichterbij,’ waarschuwde de EEUWIGE, ‘en trek je sandalen uit, want de grond waarop je staat, is heilig. Ik ben de God van je vader, de God van Abraham, de God van Isaak en de God van Jakob.’ Mozes bedekte zijn gezicht, want hij durfde niet naar God te kijken.

De EEUWIGE zei: ‘Ik heb gezien hoe ellendig mijn volk er in Egypte aan toe is, ik heb hun jammerklachten over hun onderdrukkers gehoord, ik weet hoe ze lijden. Daarom ben ik afgedaald om hen uit de macht van de Egyptenaren te bevrijden, en om hen uit Egypte naar een mooi en uitgestrekt land te brengen, een land dat overvloeit van melk en honing, het gebied van de Kanaänieten, de Hethieten, Amorieten, Perizzieten, Chiwwieten en Jebusieten. De jammerklacht van de Israëlieten is tot mij doorgedrongen en ik heb gezien hoe wreed de Egyptenaren hen onderdrukken. Daarom stuur ik jou nu naar de farao: jij moet mijn volk, de Israëlieten, uit Egypte wegleiden.’

Gebed

Lied

Naam uit vuur

Naam uit vuur,

Eén Eeuwig Hij Alleen,

Riep smeekte dreigde zweeg.

Riep weer, om antwoord.

Roept het water uit de rots,

Slaat vuur uit steen.

En weer zijn stem

een lichtval uit de wolken.

Tien woorden licht.

Daar stonden wij,

nog krom van slavernij,

de minste van de volken.

 

Een hand vol stormwind werd ons opgelegd.

Vuurtongen stonden boven onze hoofden.

Een ander leven werd ons aangezegd.

 

Van toen af dragers van een visioen

leerden wij,

dood na dood

opnieuw geboren,

verlangen naar zijn woord,

en het te doen.

 

Er kwam een dag

die niets dan einde was.

Van God verlaten hingen wij aan kruisen,

het visioen verwaait

als stof en as.

 

De wereld draaide verder,

dood na dood.

Een kuil vol knoken.

Doorgekraste namen.

Na vijftig dagen kwam een Ademstoot.

Hij schikte onze stukken weer tot één;

blies onbevlekte huid over ons heen.

De Naam riep:

Mensenkind, sta op je voeten.

 

Daar stonden wij,

om nu voorgoed te gaan

tot aan de verste randen van de aarde

en naar zijn woord te doen wat moet gedaan.

Adem van onbegonnen nieuw begin,

heilige stormwind, laat niet af,

doorvuur ons,

Spreek moed volharding wijsheid vrede in.

 

 

Processie, licht en doopgedachtenis

inleiding

 

lied

 

processie

 

het licht

 

lied

 

doopgedachtenis

Als alles duister is

Als alles duister is

Ontsteek dan een lichtend vuur

Dat nooit meer dooft

Dat nooit meer dooft

Dat nooit meer dooft

Licht van Christus

Heer wij danken U

Lezing

Marcus 16, 1-7

Toen de sabbat voorbij was, kochten Maria uit Magdala en Maria de moeder van Jakobus, en Salome geurige olie om hem te balsemen. Op de eerste dag van de week gingen ze heel vroeg in de ochtend, vlak na zonsopgang, naar het graf. Ze zeiden tegen elkaar: ‘Wie zal voor ons de steen voor de ingang van het graf wegrollen?’ Maar toen ze opkeken, zagen ze dat de steen al was weggerold; het was een heel grote steen. Toen ze het graf binnengingen, zagen ze rechts een in het wit geklede jongeman zitten. Ze schrokken vreselijk. Maar hij zei tegen hen: ‘Wees niet bang. U zoekt Jezus, de man uit Nazareth die gekruisigd is. Hij is opgewekt uit de dood, hij is niet hier; kijk, dat is de plaats waar hij was neergelegd. Ga terug en zeg tegen zijn leerlingen en tegen Petrus: “Hij gaat jullie voor naar Galilea, daar zullen jullie hem zien, zoals hij jullie heeft gezegd.”’

Lied

Halleluja

Gebed

Zegen

slotlied

Het zal in alle vroegte zijn

Het zal in alle vroegte zijn
als toen.

De steen is weggerold.
Ik ben uit de grond opgestaan.
Mijn ogen kunnen het licht verdragen.
Ik loop en struikel niet.
Ik spreek en versta mijzelf.
Mensen komen mij tegemoet –
wij zijn in bekenden veranderd.

Het zal in alle vroegte zijn
als toen.

De ochtendmist trekt op.
Ik dacht een dorre vlakte te zien.
Volle schoven zie ik, lange halmen, aren
waarin de korrel zwelt.
Bomen omranden het bouwland.
Heuvels golven de verte in,
bergopwaarts, en worden wolken.

Daarachter,
kristal geworden, verblindend,
de zee die haar doden teruggaf.

Wij overnachten in elkaars schaduw.
Wij worden wakker van het eerste licht.
Alsof iemand ons bij naam en toenaam
heeft geroepen.
Dan zal ik leven.

Dan zal ik leven.

Dan zal ik leven.

U kunt reageren, graag zelfs.

Wilt U Christiane mailen, dan kan dat via christianevandenberg@ekklesialeiden.nl.

Wilt U inhoudelijk reageren op deze pagina, mail dan naar  vieringen@ekklesialeiden.nl

Samenwerkingen

Onze partners

Ekklesia Leiden

Lid worden

Wil je lid worden van de vereniging van de Ekklesia Leiden? De contributie bedraagt €25,00 per jaar.

Meer over lid worden van Ekklesia Leiden

X