Ekklesia Leiden

vrijdag 10 april – Goede Vrijdag

in tijden van corona

 

Goede Vrijdag

 

Voorganger: Marcel Barnard

Schriftlezing: Irene Slootweg

Piano: Ronald Meester

Fluit: Robert vander Toorn

Opnames: Johan  van der Weij

                    Cor Breukel

montage: Jan Slotboom

internet: Henk Blanksma

                 Arwin Ridder

Hier kunt U de viering  zien.

Hieronder vindt U de orde van dienst.

De kerk is ontdaan van alle versierselen:
er staat geen avondmaalservies, de tafel is leeg,
er hangen geen kleden over tafel of kansel,
  er branden geen kaarsen,
er klinkt geen orgelspel of andere muziek.

Welkom en Gebed

Laat ons bidden.

Verborgen God,
een mens in totale verlatenheid en dodelijke eenzaamheid,
een mens die lijdt
is het teken van hoe U met ons verbonden bent.
Strek uw zegende armen uit over ons en over al uw mensen uit
met wie uw eigen Kind de pijnen heeft doorstaan,
de verwerping, de vernedering, de ziekten,
tot in de diepste diepten, tot in de bittere dood.
Verlaat ons niet, o God.
Ontferm U over ons,
ontferm U over al uw lieve mensen,
ontferm U over uw wereld die niet weet wat zij doet.
Zo bidden wij U omwille van de gekruisigde.
AMEN.

fluitspel

 

overdenking

De overdenking kan U hier vinden, en in het menu onder Nieuws, publicaties.

Koraal 27 Johannes Passion Ach Grosser König

Ach großer König, groß zu allen Zeiten,
Wie kann ich gnugsam diese Treu ausbreiten?
Keins Menschen Herze mag indes ausdenken,
Was dir zu schenken.

Ich kanns mit meinen Sinnen nicht erreichen,
Womit doch dein Erbarmen zu vergleichen.
Wie kann ich dir denn deine Liebestaten
Im Werk erstatten?

Vertaling:

O grote Koning, groot te allen tijde,
hoe kan ik deze trouw voldoende verspreiden?
Geen mensenhart kan toch bedenken,
wat U te schenken.

Ik kan er met mijn verstand niet bij
waarmee Uw ontferming toch te vergelijken is.
Hoe kan ik U dan uw liefdesdaden
in mijn werken terugbetalen?

(met dank aan Kamerkoor Vocoza)

Schriftlezing en pianospel

Schriftlezing Joh. 18, 1-24

Na dit gezegd te hebben, ging Jezus met zijn discipelen naar de overzijde van de beek Kidron, waar een hof was, die Hij met zijn discipelen binnenging. En ook Judas, zijn verrader, wist die plaats, omdat Jezus daar dikwijls was samengekomen met zijn discipelen. Judas dan kwam daar, die een afdeling soldaten tot zijn beschikking had gekregen en dienaars van de overpriesters en de Farizeeën, voorzien van lantaarns, fakkels en wapenen. Jezus dan, alles wetende, wat over Hem komen zou, kwam naar voren en zei tot hen: Wie zoekt gij? Zij antwoordden Hem: Jezus de Nazoreeër. Hij zei tot hen: Ik ben het. En ook Judas, zijn verrader, stond bij hen. Toen Hij dan tot hen zei: Ik ben het, deinsden zij terug en vielen ter aarde. Wederom dan stelde Hij hun de vraag: Wie zoekt gij? En zij zeiden: Jezus, de Nazoreeër. Jezus antwoordde: Ik zeg u, dat Ik het ben. Indien gij dan Mij zoekt, laat dezen heengaan; opdat het woord vervuld werd, dat Hij gesproken had: Wie Gij Mij gegeven hebt, uit hen heb Ik niemand laten verloren gaan. Simon Petrus dan, die een zwaard had, trok het, en hij trof de slaaf van de hogepriester en sloeg hem het rechteroor af; de naam nu van de slaaf was Malchus. Jezus dan zei tot Petrus: Steek het zwaard in de schede; de beker, die de Vader Mij gegeven heeft, zou Ik die niet drinken?

Jezus voor Annas – De verloochening door Petrus

De afdeling soldaten dan en de overste en de dienaars der Joden namen Jezus gevangen, boeiden Hem, en brachten Hem eerst voor Annas, want hij was de schoonvader van Kajafas, die dat jaar hogepriester was; en Kajafas was het, die de Joden de raad had gegeven: Het is nuttig, dat één mens sterft ten behoeve van het volk. En Simon Petrus en een andere discipel volgden Jezus. En die discipel was een bekende van de hogepriester en hij ging met Jezus het paleis van de hogepriester binnen, maar Petrus stond buiten aan de poort. De andere discipel dan, de bekende van de hogepriester, kwam naar buiten, en hij sprak met de portierster en bracht Petrus binnen. De slavin dan, die portierster was, zei tot Petrus: Gij behoort toch ook niet tot de discipelen van deze mens? Hij zei: Ik niet! De slaven en de dienaars stonden zich te warmen bij een kolenvuur, dat zij aangelegd hadden, want het was koud, en ook Petrus stond zich bij hen te warmen.

De hogepriester dan vroeg Jezus naar zijn discipelen en naar zijn leer. Jezus antwoordde hem: Ik heb vrijuit tot de wereld gesproken; Ik heb voortdurend in de synagoge geleerd en in de tempel, waar al de Joden bijeenkomen, en in het verborgen heb Ik niets gesproken. Waarom vraagt gij Mij? Vraag hun, die gehoord hebben, wat Ik tot hen gesproken heb; zie, dezen weten, wat Ik gezegd heb. En toen Hij dit zei, gaf een van de dienaars, die erbij stond, Jezus een slag in het gelaat en zei: Antwoordt Gij zó de hogepriester? Jezus antwoordde hem: Indien Ik verkeerd gesproken heb, geef aan wat verkeerd was, maar indien het goed was, waarom slaat gij Mij? Annas dan zond Hem geboeid naar Kajafas, de hogepriester.

Schriftlezing Joh. 18, 25-40

En Simon Petrus stond zich te warmen. Zij zeiden dan tot hem: Gij behoort toch ook niet tot zijn discipelen? Hij ontkende het en zei: Ik niet! Een der slaven van de hogepriester, een verwant van hem, wiens oor Petrus had afgeslagen, zei: Zag ik u niet in de hof met Hem? Petrus dan ontkende het wederom en terstond daarop kraaide een haan.

Jezus voor Pilatus

Zij brachten Jezus dan van Kajafas naar het gerechtsgebouw. En het was vroeg in de morgen; doch zelf gingen zij het gerechtsgebouw niet binnen, om zich niet te verontreinigen, maar het Pascha te kunnen eten. Pilatus dan kwam tot hen naar buiten en zei: Welke aanklacht brengt gij tegen deze mens in? Zij antwoordden en zeiden tot hem: Indien Hij geen boosdoener was, zouden wij Hem niet aan u overleveren! Pilatus dan zei tot hen: Neemt gij Hem en oordeelt Hem naar uw wet. De Joden dan zeiden tot hem: Het is ons niet geoorloofd iemand ter dood te brengen; opdat het woord van Jezus vervuld werd, dat Hij gezegd had, aanduidende, welke dood Hij sterven zou.

Pilatus dan keerde terug in het gerechtsgebouw en riep Jezus en zei tot Hem: Zijt Gij de Koning der Joden? Jezus antwoordde: Zegt gij dit uit uzelf of hebben anderen u over Mij gesproken? Pilatus antwoordde: Ben ik soms een Jood? Uw volk en de overpriesters hebben U aan mij overgeleverd; wat hebt Gij gedaan? Jezus antwoordde: Mijn Koninkrijk is niet van deze wereld; indien mijn Koninkrijk van deze wereld geweest was, zouden mijn dienaars gestreden hebben, opdat Ik niet aan de Joden zou worden overgeleverd; nu echter is mijn Koninkrijk niet van hier. Pilatus dan zei tot Hem: Zijt Gij dus toch een koning? Jezus antwoordde: Gij zegt, dat Ik koning ben. Hiertoe ben Ik geboren en hiertoe ben Ik in de wereld gekomen, opdat Ik voor de waarheid zou getuigen; een ieder, die uit de waarheid is, hoort naar mijn stem. Pilatus zei tot Hem: Wat is waarheid? En na dit gezegd te hebben, kwam hij weder naar buiten tot de Joden en zei tot hen: Ik vind geen schuld in Hem.

Jezus of Barabbas

Maar bij u bestaat het gebruik, dat ik u op Pascha iemand loslaat: wilt gij dan, dat ik u de Koning der Joden loslaat? Zij schreeuwden dan wederom en zeiden: Hem niet, maar Barabbas! En Barabbas was een rover.

Schriftlezing Joh. 19, 1-30

 Toen nam dan Pilatus Jezus en liet Hem geselen. En de soldaten vlochten een kroon van doornen, zetten die op zijn hoofd en deden Hem een purperen kleed om, en zij traden op Hem toe en zeiden: Gegroet, Koning der Joden! En zij gaven Hem slagen in het gelaat.

En Pilatus kwam wederom naar buiten en zei tot hen: Zie, ik breng Hem voor u naar buiten, opdat gij weet, dat ik geen schuld in Hem vind. Jezus dan kwam naar buiten met de doornenkroon en het purperen kleed. En (Pilatus) zei tot hen: Zie, de mens! Toen dan de overpriesters en hun dienaars Hem zagen, schreeuwden zij en zeiden: Kruisigen, kruisigen! Pilatus zei tot hen: Neemt gij Hem en kruisigt Hem: want ik vind geen schuld in Hem. De Joden antwoordden hem: Wij hebben een wet en naar die wet moet Hij sterven, want Hij heeft Zichzelf Gods Zoon gemaakt.

Toen Pilatus dan dit woord hoorde, werd hij nog meer bevreesd, en hij ging weder het gerechtsgebouw binnen en zei tot Jezus: Waar zijt Gij vandaan? Maar Jezus gaf hem geen antwoord. Pilatus dan zei tot Hem: Spreekt Gij niet tot mij? Weet Gij niet, dat ik macht heb U los te laten, maar ook macht om U te kruisigen? Jezus antwoordde: Gij zoudt geen macht tegen Mij hebben, indien het u niet van boven gegeven ware: daarom heeft hij, die Mij aan u heeft overgeleverd, groter zonde. Van toen af trachtte Pilatus Hem los te laten, maar de Joden schreeuwden en zeiden: Indien gij deze loslaat, zijt gij geen vriend van de keizer; een ieder, die zich koning maakt, verzet zich tegen de keizer.

Pilatus dan hoorde deze woorden en hij liet Jezus naar buiten brengen en zette zich op de rechterstoel, op de plaats, genaamd Litostrotos, in het Hebreeuws Gabbata. En het was Voorbereiding voor het Pascha, ongeveer het zesde uur, en hij zei tot de Joden: Zie, uw koning! Zij dan schreeuwden: Weg met Hem! Weg met Hem! Kruisig Hem! Pilatus zei tot hen: Moet ik uw koning kruisigen? De overpriesters antwoordden: Wij hebben geen koning, alleen de keizer! Toen gaf hij Hem aan hen over om gekruisigd te worden.

De kruisiging

Zij dan namen Jezus, en Hij, zelf zijn kruis dragende, ging naar de zogenaamde Schedelplaats, in het Hebreeuws genaamd Golgota, waar zij Hem kruisigden en met Hem twee anderen, aan weerszijden één, en Jezus in het midden. En Pilatus liet ook een opschrift schrijven en op het kruis plaatsen; er was geschreven: Jezus, de Nazoreeër, de Koning der Joden. Dit opschrift dan lazen vele der Joden, want de plaats, waar Jezus gekruisigd werd, was dicht bij de stad, en het was geschreven in het Hebreeuws, in het Latijn en in het Grieks. De overpriesters der Joden dan zeiden tot Pilatus: Schrijf niet: De Koning der Joden, maar dat Hij gezegd heeft: Ik ben de Koning der Joden. Pilatus antwoordde: Wat ik geschreven heb, dat heb ik geschreven.

Toen dan de soldaten Jezus gekruisigd hadden, namen zij zijn klederen en maakten daarvan vier delen, voor iedere soldaat één deel, en zijn onderkleed. Dit kleed nu was zonder naad, aan één stuk geweven. Zij zeiden dan tot elkander: Laten wij dit niet scheuren, maar erom loten, voor wie het zijn zal; zodat het schriftwoord vervuld werd: Zij hebben mijn klederen onder elkander verdeeld en over mijn kleding hebben zij het lot geworpen.

Dit hebben dan de soldaten gedaan.

En bij het kruis van Jezus stonden zijn moeder en de zuster zijner moeder, Maria van Klopas en Maria van Magdala. Toen dan Jezus zijn moeder zag en de discipel, die Hij liefhad, bij haar staande, zei Hij tot zijn moeder: Vrouw, zie, uw zoon. Daarna zei Hij tot de discipel: Zie, uw moeder. En van dat uur af nam de discipel haar bij zich in huis.

Het sterven van Jezus

Hierna zei Jezus, daar Hij wist, dat alles reeds volbracht was, opdat de Schrift vervuld zou worden: Mij dorst! Er stond een kruik vol zure wijn; zij staken dan een spons, gedrenkt met zure wijn, op een hysopstengel en brachten die aan zijn mond. Toen Jezus dan de zure wijn genomen had, zei Hij: Het is volbracht! En Hij boog het hoofd en gaf de geest.

 

Schriftlezing Joh. 19, 31- 42

De Joden dan, daar het Voorbereiding was en de lichamen niet op sabbat aan het kruis mochten blijven – want de dag van die sabbat was groot – vroegen Pilatus, dat hun benen gebroken en zij weggenomen zouden worden. De soldaten dan kwamen en braken de benen van de eerste en van de andere, die met Hem gekruisigd waren; maar toen zij bij Jezus gekomen waren en zagen, dat Hij reeds gestorven was, braken zij zijn benen niet, maar een van de soldaten stak met een speer in zijn zijde en terstond kwam er bloed en water uit. En die het gezien heeft, heeft ervan getuigd en zijn getuigenis is waarachtig en hij weet, dat hij de waarheid spreekt, opdat ook gij gelooft. Want dit is geschied, opdat het schriftwoord zou vervuld worden: Geen been van Hem zal verbrijzeld worden. En weder zegt een ander schriftwoord: Zij zullen zien op Hem, die zij doorstoken hebben.

De begrafenis

En daarna vroeg Jozef van Arimatea, een discipel van Jezus, maar in het verborgen uit vrees voor de Joden, aan Pilatus het lichaam van Jezus te mogen wegnemen; en Pilatus stond het toe. Hij kwam dan en nam zijn lichaam weg. En ook kwam Nikodemus, die de eerste maal des nachts tot Hem gekomen was, en hij bracht een mengsel mede van mirre en aloë, ongeveer honderd pond. Zij namen dan het lichaam van Jezus en wikkelden het in linnen windsels met de specerijen, zoals het bij de Joden gebruikelijk is te begraven. En er was ter plaatse, waar Hij gekruisigd was, een hof en in die hof een nieuw graf, waarin nog nooit iemand was bijgezet; daar dan legden zij Jezus neder wegens de Voorbereiding der Joden, omdat het graf dichtbij was.

voorbedes

We dachten dat we onkwetsbaar waren, God, dat het ons niet zou gebeuren.
En daar zitten we, verbijsterd over een wereldwijde ramp die zich bijna onzichtbaar voltrekt.
Ineens begrijpen we het wat het is, te staan bij een mens
in totale verlatenheid en dodelijke eenzaamheid, bij een mens die lijdt.
Daarom bidden wij u voor al die mensen die ziek zijn,
voor de mensen die in de ziekenhuizen zijn opgenomen,
in het bijzonder voor de mensen op de intensive careafdelingen.
‘Gedenk uw mensen, dat zij niet vergeefs geboren zijn,’
wees hen genadig en kom met uw helende kracht.
En wij bidden U voor al uw lieve mensen die de tekens zijn van uw heerschappij op deze
wereld,
voor verpleegkundigen en artsen, ziekenhuispersoneel en zorgverleners,
‘die kracht uitstralen, liefde geven, recht doen,
dat zij staande blijven in ons midden.’
Ontferm U, God, over uw lieve mensen.
En hoe kunt Gij het nog langer aanzien, God,
de hopeloze vluchtelingen op de Griekse eilanden,
de haveloze vluchtelingen in de Bekavallei in Libanon,
de wanhopige armen die de townships en slums van de Kaapsteden en Calcutta’s van deze
aarde bevolken,
de mensen die door iedereen verlaten zijn, naar wie niemand een poot uitsteekt?
Dat het zien van de beelden uit die helse oorden ons geboren doet worden als uw kinderen:
dat we de moed hebben niet te verlaten wie zonder dat we erom hebben gevraagd aan onze
zorg zijn toevertrouwd,
dat we de moed hebben tegenover machthebbers en bestuurders te blijven getuigen van deze
eenvoudige waarheid: hier blijkt onze ware menslievendheid.
‘Verhaast de dag van uw gerechtigheid, zie het niet langer aan’
en ontferm U, God, over uw lieve mensen.
En wij bidden U voor uw kerk, wachtend bij het graf van uw Zoon, uitziende naar de morgen.
Dat zij het uithoudt in de Godverlatenheid, biddend voor uw godvergeten wereld.
Ontferm U, God, over uw lieve kerk die U hebt leren bidden:

Onze Vader, die in de hemelen zijt,
uw Naam worde geheiligd, uw koninkrijk kome,
uw wil geschiede, gelijk in de hemel alzo ook op aarde.
Geef ons heden ons dagelijks brood
en vergeef ons onze schulden, zoals ook wij vergeven onze schuldenaren.
En leid ons niet in verzoeking, maar verlos ons van de boze.
Want van U is het koninkrijk en de kracht en de heerlijkheid, tot in eeuwigheid. Amen.

Via Crucis Franz Liszt(fragment)

Zo stierf Jezus.

Zo staan wij bij zijn graf.

Hopend op de morgen.

Tegen beter weten in.

Uw koninkrijk kome.

stilte

U kunt reageren, graag zelfs.

Wilt U Marcel Barnard mailen, dan kan dat via mbarnard@pthu.nl.

Wilt U inhoudelijk reageren op deze pagina, mail dan naar  vieringen@ekklesialeiden.nl

Samenwerkingen

Onze partners

Ekklesia Leiden

Lid worden

Wil je lid worden van de vereniging van de Ekklesia Leiden? De contributie bedraagt €25,00 per jaar.

Meer over lid worden van Ekklesia Leiden

X